Tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met
name op artikel 13,
Gezien het voorstel van de Commissie(1),
Gezien het advies van het Europees Parlement(2),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),
Gezien het advies van het Comité van de Regio's(4),
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese
Unie is de Europese Unie gegrondvest op de beginselen van vrijheid,
democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden, en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen
hebben, en eerbiedigt de Unie de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd
door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
en de fundamentele vrijheden en zoals die uit de gemeenschappelijke
constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene
beginselen van het Gemeenschapsrecht.
(2) Het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen
is vast verankerd in tal van bepalingen van de Gemeenschapswetgeving,
in het bijzonder in Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari
1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het
arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien
van de arbeidsvoorwaarden(5).
(3) Bij de uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling
streeft de Gemeenschap, overeenkomstig artikel 3, lid 2, van het Verdrag,
ernaar, ongelijkheden op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen
te bevorderen, met name omdat vrouwen vaak het slachtoffer zijn van
meervoudige discriminatie.
(4) Gelijkheid voor de wet en bescherming van eenieder tegen discriminatie
is als universeel recht erkend door de Universele Verklaring van de
rechten van de mens, door het Verdrag van de Verenigde Naties inzake
de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, door de
Internationale Verdragen van de Verenigde Naties inzake burgerrechten
en politieke rechten, respectievelijk inzake economische, sociale en
culturele rechten, en door het Europees Verdrag tot bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, die door alle
lidstaten zijn ondertekend; Verdrag nr. 111 van de Internationale Arbeidsorganisatie
verbiedt discriminatie op het terrein van arbeid en beroep.
(5) Het is belangrijk dat deze fundamentele rechten en vrijheden
worden geëerbiedigd. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de vrijheid
van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen
op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming
van zijn belangen.
(6) Het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de
werkenden erkent het belang van de bestrijding van elke vorm van discriminatie,
met inbegrip van de noodzaak om passende maatregelen te nemen voor
de sociale en economische integratie van ouderen en personen met een
handicap.
(7) Krachtens het EG-Verdrag behoort onder meer de bevordering
van de coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten
tot de taken van de Gemeenschap. Hiertoe werd in het EG-Verdrag een
nieuw werkgelegenheidshoofdstuk opgenomen als een middel voor de ontwikkeling
van een gecoördineerde strategie voor werkgelegenheid en in het
bijzonder voor de bevordering van de scholing, de opleiding en het
aanpassingsvermogen van de werknemers.
(8) De door de Europese Raad van Helsinki op 10 en 11 december
1999 goedgekeurde werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 2000 benadrukken
de noodzaak een voor de sociale integratie gunstige arbeidsmarkt te
bevorderen door formulering van een samenhangend geheel van beleidsmaatregelen
ter bestrijding van discriminatie van groepen zoals personen met een
handicap. Tevens benadrukken zij de noodzaak bijzondere aandacht te
schenken aan de steun voor oudere werknemers teneinde hun deelname
aan het arbeidsproces te doen toenemen.
(9) Arbeid en beroep zijn sleutelelementen voor het waarborgen
van gelijke kansen voor eenieder en zij leveren een belangrijke bijdrage
aan het volledig deelnemen van burgers aan het economische, culturele
en sociale leven, alsook aan hun persoonlijke ontplooiing.
(10) De Raad heeft op 29 juni 2000 Richtlijn 2000/43/EG(6) aangenomen
houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen
ongeacht ras of etnische afstamming, die reeds bescherming biedt tegen
dergelijke discriminatie op het terrein van arbeid en beroep.
(11) Discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap,
leeftijd of seksuele geaardheid kan de verwezenlijking van de doelstellingen
van het EG-Verdrag ondermijnen, in het bijzonder de verwezenlijking
van een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming,
de verbetering van de levensstandaard en de kwaliteit van het bestaan,
de vergroting van de economische en sociale cohesie en van de solidariteit,
alsmede het vrij verkeer van personen.
(12) Daartoe dient in de gehele Gemeenschap elke directe of indirecte
discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd
of seksuele geaardheid op de door deze richtlijn bestreken terreinen
verboden te zijn. Dit verbod op discriminatie geldt ook voor onderdanen
van derde landen, maar is niet van toepassing op verschillen in behandeling
op grond van nationaliteit en laat de bepalingen inzake inreis en verblijf
en toegang tot arbeid en beroep van onderdanen van derde landen onverlet.
(13) Deze richtlijn is niet van toepassing op regelingen inzake
sociale zekerheid en sociale bescherming waarvan de voordelen niet
worden gelijkgesteld met een beloning in de betekenis die aan dat woord
wordt gegeven bij de toepassing van artikel 141 van het EG-Verdrag
noch op enige vorm van uitkering, door de staat verstrekt ter bevordering
van de toegang tot of het behoud van de arbeid.
(14) Deze richtlijn laat de nationale bepalingen waarin de pensioengerechtigde
leeftijd wordt vastgesteld onverlet.
(15) Feiten op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat er sprake
is van directe of indirecte discriminatie dienen beoordeeld te worden
door nationale rechterlijke of andere bevoegde instanties overeenkomstig
de regels van de nationale wetgeving en praktijk; deze regels kunnen
met name inhouden dat indirecte discriminatie op enigerlei wijze, ook
op basis van statistische gegevens, kan worden aangetoond.
(16) Maatregelen gericht op aanpassing van de werkplek aan de
behoeften van personen met een handicap vervullen bij de bestrijding
van discriminatie op grond van een handicap een belangrijke rol.
(17) Deze richtlijn eist niet dat iemand in dienst genomen, bevorderd,
in dienst gehouden of opgeleid wordt die niet bekwaam, in staat en
beschikbaar is om de essentiële taken van de betreffende functie
uit te voeren of om een bepaalde opleiding te volgen, onverminderd
de verplichting om in redelijke aanpassingen voor personen met een
handicap te voorzien.
(18) Deze richtlijn heeft met name niet tot gevolg dat de strijdkrachten,
de politie-, het gevangeniswezen of de noodhulpdiensten worden gedwongen
om personen in dienst te nemen of te houden die niet de vereiste capaciteiten
bezitten om alle taken te kunnen verrichten die zij wellicht zullen
moeten vervullen met het oog op de legitieme doelstelling van handhaving
van het operationele karakter van deze diensten.
(19) Opdat de lidstaten de slagkracht van hun strijdkrachten kunnen
handhaven, kunnen zij bovendien vastleggen dat de bepalingen van deze
richtlijn met betrekking tot handicap en leeftijd niet van toepassing
zijn op het geheel of een deel van hun strijdkrachten. De lidstaten
die hiervoor kiezen, moeten het toepassingsgebied van deze afwijking
definiëren.
(20) Er moeten passende, dat wil zeggen doeltreffende en praktische
maatregelen worden getroffen die gericht zijn op aanpassing van de
werkplek aan de behoeften van de werknemer met een handicap, bijvoorbeeld
aanpassing van gebouwen, uitrusting, arbeidsritme, en taakverdeling,
of voorzien in opleidings- en integratiemiddelen.
(21) Wanneer wordt nagegaan of de betrokken maatregelen geen onevenredige
belasting veroorzaken, moet in het bijzonder rekening worden gehouden
met de financiële en andere kosten, alsmede met de omvang en de
financiële middelen van de organisatie of onderneming, en met
de mogelijkheid om overheidsgeld of andere vormen van steun te verkrijgen.
(22) Deze richtlijn laat de nationale wetgevingen inzake burgerlijke
staat en de daaraan verbonden voordelen onverlet.
(23) In een zeer beperkt aantal omstandigheden kan een verschil
in behandeling gerechtvaardigd zijn wanneer een met godsdienst of overtuiging,
handicap, leeftijd of seksuele geaardheid verband houdend kenmerk een
wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormt, mits het doel legitiem
is en het vereiste daaraan evenredig is; in de informatie die de lidstaten
aan de Commissie verstrekken, moet aangegeven worden welke omstandigheden
het betreft.
(24) De Europese Unie heeft in de aan de Slotakte van het Verdrag
van Amsterdam gehechte Verklaring nr. 11 betreffende de status van
kerken en niet-confessionele organisaties uitdrukkelijk verklaard de
status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens
het nationale recht in de lidstaten hebben, te eerbiedigen en daaraan
geen afbreuk te doen en evenzeer de status van levensbeschouwelijke
en niet-confessionele organisaties te eerbiedigen. In dit verband kunnen
de lidstaten specifieke bepalingen handhaven of vaststellen inzake
de wezenlijke, legitieme en gerechtvaardigde beroepsvereisten die voor
de uitoefening van een beroepsactiviteit kunnen worden verlangd.
(25) Het verbod op discriminatie op grond van leeftijd vormt een
fundamenteel element om de in de werkgelegenheidsrichtsnoeren gestelde
doelen te bereiken en de diversiteit bij de arbeid te bevorderen; niettemin
kunnen verschillen in behandeling op grond van leeftijd in bepaalde
omstandigheden gerechtvaardigd zijn en derhalve specifieke bepalingen
nodig maken die naargelang de situatie in de lidstaten kunnen verschillen;
het is derhalve van essentieel belang onderscheid te maken tussen verschillen
in behandeling die gerechtvaardigd zijn, met name door legitieme doelstellingen
van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt
en de beroepsopleiding, en discriminatie die verboden moet worden.
(26) Het discriminatieverbod mag geen afbreuk doen aan de handhaving
of vaststelling van maatregelen die zijn bedoeld om de nadelen die
een groep personen ondervindt van haar godsdienst of overtuiging, handicap,
leeftijd of seksuele geaardheid, te voorkomen of te compenseren en
deze maatregelen kunnen organisaties van personen met een bepaalde
godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid
toestaan, mits deze als hoofddoelstelling hebben aan de bijzondere
behoefte van deze personen tegemoet te komen.
(27) De Raad heeft in zijn aanbeveling 86/379/EEG van 24 juli
1986 betreffende de werkgelegenheid voor gehandicapten in de Gemeenschap(7) een
raamwerk vastgesteld met voorbeelden van positieve maatregelen ter
bevordering van de werkgelegenheid en de beroepsopleiding voor gehandicapten,
en heeft in zijn resolutie van 17 juni 1999 betreffende gelijke kansen
op werk voor mensen met een handicap(8) gewezen op het belang
om specifieke aandacht te schenken aan met name de werving en het behoud
van de arbeidsdeelname, de opleiding en het levenslang leren van mensen
met een handicap.
(28) Deze richtlijn stelt minimumvereisten vast en laat de lidstaten
daarmee de keuze gunstiger bepalingen aan te nemen of te handhaven.
De uitvoering van deze richtlijn mag niet als rechtvaardiging dienen
voor enigerlei verlaging van het in de lidstaten reeds bestaande beschermingsniveau.
(29) Personen die op grond van godsdienst of overtuiging, handicap,
leeftijd of seksuele geaardheid zijn gediscrimineerd, dienen over adequate
mogelijkheden voor rechtsbescherming te beschikken. Teneinde een effectiever
beschermingsniveau te verschaffen, dienen verenigingen of rechtspersonen
de bevoegdheid te krijgen om namens of ten behoeve van slachtoffers
overeenkomstig door de lidstaten vastgestelde modaliteiten een procedure
aanhangig te maken, onverminderd de nationale procedureregels betreffende
de vertegenwoordiging en verdediging in rechte.
(30) Daadwerkelijke toepassing van het gelijkheidsbeginsel vereist
een passende rechtsbescherming tegen represailles.
(31) Het is noodzakelijk dat de regels voor de bewijslast worden
aangepast zodra er een kennelijke discriminatie bestaat; in de gevallen
waarin een dergelijke situatie ook inderdaad blijkt te bestaan, vergt
de feitelijke toepassing van het beginsel van gelijke behandeling dat
de bewijslast bij de verweerder wordt gelegd. Het is evenwel niet aan
de verweerder om te bewijzen dat de eiser een bepaalde godsdienst,
overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid heeft.
(32) De lidstaten hoeven de regels betreffende de bewijslast niet
toe te passen in zaken waarin het aan de rechtbank of een andere bevoegde
instantie is om de feiten te onderzoeken; het betreft hier procedures
waarin de eiser de feiten niet hoeft te bewijzen, maar het aan de rechtbank
of de bevoegde instantie is deze te onderzoeken.
(33) De lidstaten dienen de dialoog tussen de sociale partners
en, binnen het kader van de nationale praktijk, met de niet-gouvernementele
organisaties te bevorderen teneinde de diverse vormen van discriminatie
op de werkplek aan te pakken en te bestrijden.
(34) Om vrede en verzoening tussen de voornaamste gemeenschappen
in Noord-Ierland te bevorderen, moeten er bijzondere bepalingen in
deze richtlijn worden opgenomen.
(35) De lidstaten dienen voor inbreuken op de uit deze richtlijn
voortvloeiende verplichtingen doeltreffende, evenredige en afschrikkende
sancties vast te stellen.
(36) De lidstaten kunnen de sociale partners, indien deze daarom
gezamenlijk verzoeken, belasten met de uitvoering van deze richtlijn,
voor wat de onder collectieve overeenkomsten vallende bepalingen betreft,
op voorwaarde dat de lidstaten alle nodige maatregelen treffen om de
in deze richtlijn voorgeschreven resultaten te allen tijde te kunnen
waarborgen.
(37) Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5
van het EG-Verdrag, kunnen de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk
het scheppen, binnen de Gemeenschap, van gelijke voorwaarden met betrekking
tot gelijke behandeling in arbeid en beroep, onvoldoende door de lidstaten
worden verwezenlijkt en derhalve kunnen die doelstellingen wegens de
omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Gemeenschap worden
verwezenlijkt. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel dat in genoemd
artikel besloten ligt, reikt deze richtlijn niet verder dan hetgeen
nodig is om die doelstelling te verwezenlijken,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Doel
Deze richtlijn heeft tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een
algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie
op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele
geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling
toegepast kan worden.
Artikel 2
Het begrip discriminatie
1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van
gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe
of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde
gronden.
2. Voor de toepassing van lid 1 is er:
a) "directe discriminatie", wanneer iemand ongunstiger
wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt,
is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde
gronden;
b) "indirecte discriminatie", wanneer een ogenschijnlijk
neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde
godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid,
in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt,
i) tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt
gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken
van dat doel passend en noodzakelijk zijn, of
ii) tenzij de werkgever dan wel iedere andere persoon of organisatie
waarop de onderhavige richtlijn van toepassing is, voor personen met
een bepaalde handicap krachtens de nationale wetgeving verplicht is
passende maatregelen te nemen die overeenkomen met de in artikel 5
vervatte beginselen, teneinde de nadelen die die bepaling, maatstaf
of handelwijze met zich brengt, op te heffen.
3. Intimidatie wordt als een vorm van discriminatie in de zin van lid
1 beschouwd als er sprake is van ongewenst gedrag dat met een van de
in artikel 1 genoemde gronden verband houdt, en tot doel of gevolg
heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende,
vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.
Het begrip intimidatie kan in dit verband worden gedefinieerd in overeenstemming
met de nationale wetgeving en praktijken van de lidstaten.
4. Een opdracht tot het discrimineren van personen op basis van een
van de in artikel 1 genoemde gronden, wordt beschouwd als discriminatie
in de zin van lid 1.
5. Deze richtlijn laat de nationale wettelijke bepalingen onverlet
die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de openbare
veiligheid, de handhaving van de openbare orde en het voorkomen van
strafbare feiten, de bescherming van de volksgezondheid en de bescherming
van de rechten en vrijheden van derden.
Artikel 3
Werkingssfeer
1. Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden,
is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere
sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van
toepassing met betrekking tot:
a) de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of als
zelfstandige en tot een beroep, met inbegrip van de selectie- en aanstellingscriteria,
ongeacht de tak van activiteit en op alle niveaus van de beroepshiërarchie,
met inbegrip van bevorderingskansen;
b) de toegang tot alle vormen en alle niveaus van beroepskeuzevoorlichting,
beroepsopleiding, voortgezette beroepsopleiding en omscholing, met
inbegrip van praktijkervaring;
c) werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag
en beloning;
d) het lidmaatschap van of de betrokkenheid bij een werkgevers-
of werknemersorganisatie of enige organisatie waarvan de leden een
bepaald beroep uitoefenen, waaronder de voordelen die deze organisaties
bieden.
2. Deze richtlijn is niet van toepassing op verschillen in behandeling
gebaseerd op nationaliteit en doet geen afbreuk aan voorwaarden voor
toegang en verblijf van onderdanen van derde landen en staatlozen tot
c.q. op het grondgebied van de lidstaten, noch aan enige behandeling
die het gevolg is van de juridische status van de betrokken onderdanen
van derde landen en staatlozen.
3. Deze richtlijn is niet van toepassing op uitkeringen van welke aard
dan ook die worden verstrekt door wettelijke of daarmee gelijkgestelde
stelsels, met inbegrip van de stelsels voor sociale zekerheid of voor
sociale bescherming.
4. De lidstaten kunnen bepalen dat deze richtlijn, voorzover zij betrekking
heeft op discriminatie op grond van handicap en leeftijd, niet van
toepassing is op de strijdkrachten.
Artikel 4
Wezenlijke beroepsvereisten
1. Niettegenstaande artikel 2, leden 1 en 2, kunnen de lidstaten bepalen
dat een verschil in behandeling dat op een kenmerk in verband met een
van de in artikel 1 genoemde gronden berust, geen discriminatie vormt,
indien een dergelijk kenmerk, vanwege de aard van de betrokken specifieke
beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd, een
wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormt, mits het doel legitiem
en het vereiste evenredig aan dat doel is.
2. De lidstaten kunnen op het moment van vaststelling van deze richtlijn
bestaande nationale wetgeving handhaven of voorzien in toekomstige
wetgeving waarin op de datum van vaststelling van deze richtlijn bestaande
nationale praktijken worden opgenomen, die bepaalt, dat in het geval
van kerken en andere publieke of particuliere organisaties, waarvan
de grondslag op godsdienst of overtuiging is gebaseerd, voor wat betreft
de beroepsactiviteiten van deze organisaties een verschil in behandeling
gebaseerd op godsdienst of overtuiging van een persoon geen discriminatie
vormt indien vanwege de aard van de activiteiten of de context waarin
deze worden uitgeoefend de godsdienst of overtuiging een wezenlijke,
legitieme en gerechtvaardigde beroepsvereiste vormt gezien de grondslag
van de organisatie. Dit verschil in behandeling wordt toegepast met
inachtneming van de grondwettelijke bepalingen en beginselen van de
lidstaten en van de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht,
en mag geen op een andere grond gebaseerde discriminatie rechtvaardigen.
Mits de bepalingen van deze richtlijn voor het overige worden geëerbiedigd,
laat deze richtlijn derhalve het recht van kerken en andere publieke
of particuliere organisaties waarvan de grondslag op godsdienst of
overtuiging is gebaseerd, onverlet om, handelend in overeenstemming
met de nationale grondwettelijke en wettelijke bepalingen, van personen
die voor hen werkzaam zijn, een houding van goede trouw en loyaliteit
aan de grondslag van de organisatie te verlangen.
Artikel 5
Redelijke aanpassingen voor gehandicapten
Teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met
betrekking tot personen met een handicap nageleefd wordt, wordt voorzien
in redelijke aanpassingen. Dit houdt in dat de werkgever, naargelang
de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen neemt om
een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid
te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen dan
wel om een opleiding te genieten, tenzij deze maatregelen voor de werkgever
een onevenredige belasting vormen. Wanneer die belasting in voldoende
mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het kader van
het door de lidstaten gevoerde beleid inzake personen met een handicap,
mag zij niet als onevenredig worden beschouwd.
Artikel 6
Rechtvaardiging van verschillen in behandeling op grond van leeftijd
1. Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat
verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie
vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief
en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip
van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid,
de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken
van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
Dergelijke verschillen in behandeling kunnen onder meer omvatten:
a) het creëren van bijzondere voorwaarden voor toegang tot
arbeid en beroepsopleiding, van bijzondere arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden,
met inbegrip van voorwaarden voor ontslag en beloning voor jongeren,
oudere werknemers en werknemers met personen ten laste, teneinde hun
opneming in het arbeidsproces te bevorderen, en hun bescherming te
verzekeren;
b) de vaststelling van minimumvoorwaarden met betrekking tot leeftijd,
beroepservaring of -anciënniteit in een functie voor toegang tot
de arbeid of bepaalde daaraan verbonden voordelen;
c) de vaststelling van een maximumleeftijd voor aanwerving, gebaseerd
op de opleidingseisen voor de betrokken functie of op de noodzaak van
een aan pensionering voorafgaand redelijk aantal arbeidsjaren.
2. Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat
de vaststelling, in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake
sociale zekerheid, van een toetredingsleeftijd of van een leeftijd
voor het verkrijgen van het recht op pensioen- of invaliditeitsuitkeringen,
inclusief de vaststelling van verschillende leeftijden voor werknemers
of voor groepen of categorieën werknemers, in de ondernemings-
en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, en het gebruik,
in het kader van die regelingen, van leeftijdscriteria in de actuariële
berekeningen, geen discriminatie op grond van leeftijd vormt, mits
dat niet leidt tot discriminatie op grond van geslacht.
Artikel 7
Positieve acties en specifieke maatregelen
1. Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat,
om volledige gelijkheid in het beroepsleven te waarborgen, specifieke
maatregelen handhaaft of treft om de nadelen verband houdende met een
van de in artikel 1 genoemde gronden te voorkomen of te compenseren.
2. Met betrekking tot personen met een handicap vormt het beginsel
van gelijke behandeling geen beletsel voor het recht van de lidstaten
om maatregelen te handhaven of vast te stellen ter bescherming van
de gezondheid en de veiligheid op de arbeidsplek, noch voor maatregelen
die erop gericht zijn om voorzieningen of faciliteiten te scheppen
of te handhaven om de opneming van personen met een handicap in het
arbeidsproces te behouden of te bevorderen.
Artikel 8
Minimumvereisten
1. De lidstaten mogen bepalingen vaststellen of handhaven die voor
de bescherming van het beginsel van gelijke behandeling gunstiger zijn
dan die van deze richtlijn.
2. De uitvoering van deze richtlijn vormt onder geen beding een reden
voor de verlaging van het in de lidstaten reeds bestaande niveau van
bescherming tegen discriminatie op de door de richtlijn bestreken terreinen.
HOOFDSTUK II
RECHTSMIDDELEN EN HANDHAVING VAN RECHTEN
Artikel 9
Verdediging van rechten
1. De lidstaten zorgen ervoor dat eenieder die zich door niet-toepassing
van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, toegang krijgt
tot gerechtelijke en/of administratieve procedures, en wanneer zij
zulks passend achten, ook tot bemiddelingsprocedures, voor de naleving
van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen, zelfs na beëindiging
van de verhouding waarin deze persoon zou zijn gediscrimineerd.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat verenigingen, organisaties of andere
rechtspersonen, die er, overeenkomstig de in de nationale wetgeving
vastgestelde criteria, een rechtmatig belang bij hebben dat deze richtlijn
wordt nageleefd, namens of ter ondersteuning van de klager of klaagster
met zijn, respectievelijk haar toestemming met het oog op de naleving
van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen, gerechtelijke
en/of administratieve procedures kunnen aanspannen.
3. De leden 1 en 2 laten de nationale regels betreffende de termijnen
voor de instelling van een rechtsvordering aangaande het beginsel van
gelijke behandeling onverlet.
Artikel 10
Bewijslast
1. De lidstaten nemen, overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels,
de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, wanneer personen die
zich door niet-toepassing te hunnen aanzien van het beginsel van gelijke
behandeling benadeeld achten, voor de rechter of een andere bevoegde
instantie feiten aanvoeren die directe of indirecte discriminatie kunnen
doen vermoeden, de verweerder dient te bewijzen dat het beginsel van
gelijke behandeling niet werd geschonden.
2. Lid 1 belet de lidstaten niet bewijsregels in te voeren die gunstiger
zijn voor de eiser.
3. Lid 1 is niet van toepassing op strafprocedures.
4. De leden 1, 2 en 3 zijn tevens van toepassing op alle procedures
overeenkomstig artikel 9, lid 2.
5. De lidstaten hoeven lid 1 niet toe te passen in zaken waarin het
aan de rechter of een andere bevoegde instantie is om de feiten te
onderzoeken.
Artikel 11
Bescherming tegen represailles
De lidstaten nemen in hun nationale wetgeving de nodige maatregelen
op ter bescherming van werknemers tegen ontslag of enige andere nadelige
behandeling waarmee de werkgever reageert op een klacht binnen de onderneming
of op een procedure gericht op het doen naleven van het beginsel van
gelijke behandeling.
Artikel 12
Verspreiding van informatie
De lidstaten dragen er zorg voor dat binnen hun grondgebied alle betrokkenen
via alle passende middelen adequate informatie krijgen over de uit
hoofde van deze richtlijn vastgestelde bepalingen tezamen met de reeds
van kracht zijnde relevante bepalingen, bijvoorbeeld op de arbeidsplaatsen.
Artikel 13
Sociale dialoog
1. Overeenkomstig hun nationale tradities en praktijken nemen de lidstaten
passende maatregelen om te bevorderen dat werkgevers en werknemers
via de sociale dialoog gelijke behandeling aanmoedigen, onder meer
door toe te zien op de praktijk op het werk, door collectieve overeenkomsten,
gedragscodes, onderzoek of de uitwisseling van ervaringen en goede
praktijken.
2. Voorzover zulks aansluit bij hun nationale tradities en praktijken,
moedigen de lidstaten werkgevers en werknemers met inachtneming van
hun autonomie aan om op het gepaste niveau overeenkomsten te sluiten
die antidiscriminatieregels behelzen op de in artikel 3 genoemde gebieden
die binnen de werkingssfeer van collectieve onderhandelingen vallen.
Deze overeenkomsten moeten de minimumeisen gesteld in de onderhavige
richtlijn en de nationale uitvoeringsmaatregelen eerbiedigen.
Artikel 14
Dialoog met niet-gouvernementele organisaties
De lidstaten bevorderen de dialoog met aangewezen niet-gouvernementele
organisaties die overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk
een rechtmatig belang hebben bij te dragen tot de bestrijding van discriminatie
op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden met het oog op
het bevorderen van het beginsel van gelijke behandeling.
HOOFDSTUK III
BIJZONDERE BEPALINGEN
Artikel 15
Noord-Ierland
1. Om de ondervertegenwoordiging van een van de grote religieuze gemeenschappen
in de politiedienst in Noord-Ierland te verhelpen, vormen verschillen
in behandeling bij aanwerving voor die dienst, met inbegrip van ondersteunend
personeel, geen discriminatie, voor zover die verschillen in behandeling
uitdrukkelijk zijn toegestaan door de nationale wetgeving.
2. Om evenwicht te houden in de kansen op werk voor onderwijzend personeel
in Noord-Ierland, en tevens bij te dragen tot de onderlinge toenadering
van de historisch verdeelde grote religieuze gemeenschappen aldaar,
zijn de bepalingen van deze richtlijn betreffende godsdienst of overtuiging
niet van toepassing op de aanwerving van onderwijzend personeel in
de scholen van Noord-Ierland, voor zover dit uitdrukkelijk is toegestaan
door de nationale wetgeving.
HOOFDSTUK IV
SLOTBEPALINGEN
Artikel 16
Naleving van de richtlijn
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er zorg voor te dragen
dat
a) alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die met het
beginsel van gelijke behandeling in strijd zijn, worden afgeschaft;
b) alle met het beginsel van gelijke behandeling in strijd zijnde
bepalingen in individuele of collectieve contracten of overeenkomsten,
interne reglementen van ondernemingen en in regels waaraan de vrije
beroepen en werkgevers- en werknemersorganisaties onderworpen zijn,
nietig worden of kunnen worden verklaard of worden gewijzigd.
Artikel 17
Sancties
De lidstaten stellen vast welke sancties gelden voor overtredingen
van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen
en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties
worden toegepast. De sancties, die ook het betalen van schadevergoeding
aan het slachtoffer kunnen omvatten, moeten doeltreffend, evenredig
en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op
2 december 2003 in kennis van die bepalingen en stellen haar zo spoedig
mogelijk in kennis van eventuele latere wijzigingen daarop.
Artikel 18
Uitvoering
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
in werking treden om uiterlijk op 2 december 2003 aan deze richtlijn
te voldoen of kunnen de sociale partners, indien deze daarom gezamenlijk
verzoeken, belasten met de uitvoering van deze richtlijn, voor wat
de onder collectieve overeenkomsten vallende bepalingen betreft. In
dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat de sociale partners, uiterlijk
op 2 december 2003 de nodige maatregelen bij overeenkomst hebben ingevoerd;
de lidstaten moeten zelf alle maatregelen treffen om de in deze richtlijn
voorgeschreven resultaten te allen tijde te kunnen waarborgen. Zij
stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Teneinde met bijzondere omstandigheden rekening te houden kunnen de
lidstaten indien nodig beschikken over drie extra jaren vanaf 2 december
2003, ofwel een totaal van maximaal 6 jaar, om de bepalingen met betrekking
tot discriminatie op grond van leeftijd en handicap uit te voeren.
In dat geval stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Iedere lidstaat die van deze extra periode gebruik wenst te maken,
brengt jaarlijks verslag uit aan de Commissie over de maatregelen die
hij neemt om discriminatie op grond van leeftijd en handicap aan te
pakken en over de vooruitgang die bij de uitvoering van de richtlijn
is geboekt. De Commissie brengt jaarlijks verslag uit aan de Raad.
Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen
naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij
de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze
verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Artikel 19
Verslag
1. De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 2 december 2005,
en vervolgens om de vijf jaar, alle dienstige gegevens om haar in staat
te stellen een verslag aan het Europees Parlement en aan de Raad over
de toepassing van deze richtlijn op te stellen.
2. In het verslag van de Commissie wordt op passende wijze rekening
gehouden met de standpunten van de sociale partners en betrokken niet-gouvernementele
organisaties. Overeenkomstig het beginsel van integratie van het gelijkekansenbeleid
(gender mainstreaming) worden in dit verslag onder meer de gevolgen
van de maatregelen ten aanzien van mannen en vrouwen geëvalueerd.
In het licht van de vergaarde informatie bevat het verslag, indien
nodig, voorstellen voor de herziening en actualisering van de richtlijn.
Artikel 20
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in
het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 21
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 27 november 2000.
Voor de Raad
De voorzitter
É . Guigou
(1) PB C 177 E van 27.6.2000, blz. 42.
(2) Advies uitgebracht op 12 oktober 2000 (nog niet verschenen
in het Publicatieblad).
(3) PB C 204 van 18.7.2000, blz. 82.
(4) PB C 226 van 8.8.2000, blz. 1.
(5) PB L 39 van 14.2.1976, blz. 40.
(6) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(7) PB L 225 van 12.8.1986, blz. 43.
(8) PB C 186 van 2.7.1999, blz. 3.